Geen excuus meer.

Een wachter voor Israël en de apostel van genade

Ezechiël 33:7 Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.

De profeet Ezechiël werd door God aangesteld als “wachter” over het huis van Israël (de afstammelingen van Abraham, Izak en Jacob). Hij werd verantwoordelijk gehouden om de goddelozen voor hun weg te waarschuwen, want hoewel God de zonde rechtvaardig moet behandelen, had Hij verklaard:

Ezechiël 33:11 Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?

Bekeren is omkeren. Een omkering in je denken over God en je houding t.a.v. God. Omkeren naar God toe i.p.v. God af. Als Ezechiël de goddelozen niet zou waarschuwen, zouden ze in hun zonden sterven en zou hij daarvoor verantwoordelijk gehouden worden. Als hij hen echter getrouw waarschuwde en ze weigerden acht te slaan op de waarschuwing, zouden ze in hun zonden sterven, maar zou hij ontheven zijn van alle schuld (zie de verzen Ez. 33:8 en 9).

Een christelijke lezer zou ons eraan kunnen herinneren dat we onder een andere bedeling leven en dat onze boodschap er één van genade is. Dat is waar, maar dit vergroot juist onze verantwoordelijkheid tegenover degenen die niet geloven en verloren gaan. Want Paulus zegt:

I Kor.14:8 Want ook indien de bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot den krijg bereiden?

Het betekent als er een zwak en onzeker signaal wordt afgegeven, wie zal er dan naar luisteren? Als wij gelovigen achteloos toestaan dat de verlorenen naar Christusloze graven gaan, zijn wij dan niet moreel verantwoordelijk voor hun ondergang? Zullen we niet verantwoordelijk worden gehouden voor de Rechterstoel van Christus? (Zie 2 Korintiërs 5:10,11). Dit is de reden waarom we zien dat Paulus de oudsten van Éfeze eraan herinnert dat hij niet was opgehouden mensen dag en nacht met tranen te waarschuwen.

Handelingen 20:31 Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen.

Toen de apostel terugblikte op zijn bediening onder de Efeziërs, kon hij zeggen:

Handelingen 20:26 Daarom betuig ik ulieden op deze huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen.

En dit was zo geweest met zijn bediening in het algemeen. Sterker nog, het was nu zijn verlangen dat hij, wat het ook mocht kosten:

Handeling 20:24 Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.

Dat Ezechiël en de apostel Paulus, die grote strijder voor de genade van onze Heer Jezus Christus, ons herinneren aan onze grote verantwoordelijkheid jegens de verlorenen! Want er is geen reden groot genoeg in deze bedeling (uitdeling) van Gods genade om geen gehoor te geven hieraan en het Woord der waarheid niet bekend te maken.

Persoonlijk heb ik ook getwijfeld of ik wel geschikt ben om de uitnemende rijkdom Zijner genade te vertellen aan de mensen. Want er zijn misschien onder de degenen die mij kennen  of gekend hebben die vinden dat ik tekortschiet, op welke manier dan ook. Maar zoals Paulus ons allen leert in zijn brieven, zijn wij perfect in Christus. Dan geldt het volgende vers:

2 Kor. 12:9 En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.

De Kracht van Christus is die van de opstanding (zie Rom. 1:16) en die opstanding kan niet plaats vinden als niet eerst alle zonden afbetaald zijn door Zijn kruisiging. Door deze kracht van God kunnen zondaars zoals ik rechtvaardig en zalig gemaakt worden.

Als ik, na mijn redding door de gekruisigde Christus op met mijn eigen kracht rechtvaardig leven wil, dan zeg ik eigenlijk dat de genade van God onvoldoende is en doe ik Zijn dood en opstanding teniet. Dat is natuurlijk onbestaanbaar voor iemand die het offer van Christus heeft aangenomen, die daardoor een kind van God is geworden en door Hem niet meer verdoemd zal worden. Zal er dan iemand zijn die beweren kan dat het anders is?

Rom 8:31 Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?

Precies, wie kan dan rechtens zeggen dat wij tekort schieten? Zo hebben u en ik geen excuus meer om het Evangelie van Gods genade niet uit te delen aan de mensen. Nu wil het woord bij de daad voegen. Ik heb een podcast gemaakt die uitlegt wat het Evangelie van de genade God betekent. Klik hier

Zondig niet meer

Genade en geloof

Genade en geloof zijn de karakteristieke kenmerken van de huidige bedeling. Niet alleen is de verlossing nu verklaard door genade, door geloof, maar de Geest werkt ook in de gelovige door genade, door geloof. Hij neemt geen bezit van ons en laat ons niet doen wat goed is, maar woont in elke gelovige (I Kor. 6:19) met het doel om ons de nodige leiding te geven en kracht om verleidingen te weerstaan. Wij kunnen van deze voorziening gebruik maken door geloof.

De Geest, die ons eerst leven gaf, zal ons ook kracht geven om verzoekingen te weerstaan en de zonde te overwinnen. In ons onvermogen om zelfs maar te bidden zoals het hoort, “helpt de Geest onze zwakheden” en “doet voorbede voor ons” (Rom. 8:26). In onze zwakheid worden wij “met kracht gesterkt door zijn Geest in de innerlijke mens” (Ef. 3,16) en God zal “onze sterfelijke lichamen levend te maken door zijn Geest die in ons woont” (Rom. 8,11).

Rom. 8:12 Zo dan broeders, wij zijn schuldenaars niet aan het vlees, om naar het vlees te leven.

De bovenstaande passage betekent dat wij, ook al worden wij zwaar verzocht, schuldenaar zijn aan de Geest die in ons woont en overwinningskracht verschaft.

De vraag in tijden van verzoeking is over het algemeen of wij werkelijk willen overwinnen, want wij kunnen in elke verzoeking overwinnen via de genade, door geloof. In de huidige bedeling van genade is het zeker mogelijk dat de gelovige kan zondigen, maar het is een gezegende waarheid dat hij in elke situatie niet te hoeft zondigen, omdat de Geest is er altijd om te helpen.

Dit alles staat in scherp contrast met wat we in het dagelijks leven zien. Daarin geldt dat je eerst een prestatie moet leveren en dan beloond zal worden. De werkgever betaald het loon pas nadat de werknemer de afgesproken prestatie heeft geleverd. En zo was het ook ten tijde dat Jezus Christus op aarde was:

Matt. 6:12 En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

Matt. 6:14 Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.

Matt 6:15 Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.

Uit dit vers kun je lezen dat wij eerst onze schuldenaren moeten vergeven, voordat God onze schulden kan vergeven. Deze vier Evangeliën zijn dus anders dan het Evangelie van genade dat de apostel Paulus van Christus vanuit de hemel heeft ontvangen en beschreven staat vanaf Handelingen H9 t/m de brief aan Filemon. Want de volle betekenis van Zijn kruising, opstanding en hemelvaart wordt pas via Paulus aan de mensen onthult. Het verschil wordt ook duidelijk uit onderstaande verzen:

Handelingen 2:34 En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.

Het is bij Petrus dus eerst bekeren en dopen voordat er sprake kan zijn van vergeving, rechtvaardiging en het ontvangen van de Heilig Geest. Maar bij Paulus is het anders:

Handellingen 13:38 Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt;

Handelingen 13:39 En dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Dezen een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt.

En Paulus schrijft:

Rom. 3:21 Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten:

Rom. 3.22 Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid.

Rom. 3:23 Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;

Rom. 3:24 En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is;

Rom 8:1 Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die [daardoor] niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.

Rom. 10:4 Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.

Rom. 10:9 Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.

Rom. 11:6 En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.

Ef. 1:13 In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;

Ef. 1:14 Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid.

Ef. 2:8 Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;

Ef. 2:9 Niet uit de werken, opdat niemand roeme.

Ef. 2:10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.

Dus, het is niet dat iemand eerst door goede werken te doen zalig wordt, maar eerst zalig wordt door geloof alleen en vervolgens goede werken kan doen. De goede werken zijn dus niet dat je nooit meer één steek zou laten vallen, maar het gaat om je gezindheid, je houding, denkwijze, mentaliteit naar God toe. En als wij met die levenshouding dan in oprechtheid getuigen dat Christus onze HEERE is, die voor onze zonden aan het kruis gestorven is en daarna opgestaan uit de dood om ons rechtvaardig te maken naar de standaard van God én met heel ons hart geloven dat dit uitsluitend mogelijk is doordat Christus God is (Hij is onze HEERE), dan zullen wij Hem gelijk worden en samen met Hem eeuwig leven in de hoogste hemelen. Voor alle duidelijkheid, de goede werken zijn (maar niet beperkt tot):

Ef. 4:1 Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in den Heere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt;

Ef. 4:2 Met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde;

Ef. 4:3 U benaarstigende te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes.

Ef. 4:22 Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding;

Ef. 4:23 En dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds,

Ef. 4:24 En den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.

Ef. 4: 32 Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft.

Ef. 5:1 Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen;

Ef. 5:2 En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk.

Ef. 5:3 Maar hoererij en alle onreinigheid, of gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, gelijkerwijs het den heiligen betaamt,

Ef. 5:4 Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen; maar veelmeer dankzegging.

Ef. 5:22 Gij vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan den Heere;

Ef. 5:25 Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven;

Ef. 6:1 Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in den Heere; want dat is recht.

Ef. 6:4 En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.

Dit gegeven, dat wij als gelovigen in staat zijn tot de zojuist genoemde goede werken (die dus heel wat anders zijn dan men er doorgaans onder verstaat), dat is wat God voorbereid heeft. En als wij merken dat we in ons dagelijks leven dingen doen die ingaan tegen deze werken van God, zo wandelen wij niet meer daarin en zijn wij in het duister. En het feit dat we ons ervan bewust worden dat wij niet meer wandelen in de werken die God voor ons heeft voorbereid, zo weten wij daardoor ook dat we Gods Geest hebben. Want iemand die Gods Geest niet heeft, kan zich daarvan ook niet bewust worden.

Rom. 8:7 Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.

Je ziet het, iemand die niet gelooft in de gekruisigde Christus, die kan ook niet de dingen van God bedenken, laat staan die te doen. En dit kan het geval zijn onder religieuze mensen, die dus uiterlijk wel alles lijken te doen zoals het hoort, maar in werkelijkheid de wet van God niet volgen en geen vrucht dragen. Want het heeft te maken met wat iemand werkelijk gelooft, wat zijn werkelijke gezindheid is naar God toe. Dit gegeven komt ook tot uitdrukking in het volgende vers dat weliswaar over de Jood gaat, maar het principe is hetzelfde:

Rom. 2:28 Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is;

Rom 2:29 Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.

Maar iemand die Rom. 10:9 ernstig neemt, die kan de dingen van God bedenken en kan niet meer zondigen (al gebeurd toch nog wel eens). Vandaar de titel, zondig niet meer!