Geen excuus meer.

Een wachter voor Israël en de apostel van genade

Ezechiël 33:7 Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.

De profeet Ezechiël werd door God aangesteld als “wachter” over het huis van Israël (de afstammelingen van Abraham, Izak en Jacob). Hij werd verantwoordelijk gehouden om de goddelozen voor hun weg te waarschuwen, want hoewel God de zonde rechtvaardig moet behandelen, had Hij verklaard:

Ezechiël 33:11 Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?

Bekeren is omkeren. Een omkering in je denken over God en je houding t.a.v. God. Omkeren naar God toe i.p.v. God af. Als Ezechiël de goddelozen niet zou waarschuwen, zouden ze in hun zonden sterven en zou hij daarvoor verantwoordelijk gehouden worden. Als hij hen echter getrouw waarschuwde en ze weigerden acht te slaan op de waarschuwing, zouden ze in hun zonden sterven, maar zou hij ontheven zijn van alle schuld (zie de verzen Ez. 33:8 en 9).

Een christelijke lezer zou ons eraan kunnen herinneren dat we onder een andere bedeling leven en dat onze boodschap er één van genade is. Dat is waar, maar dit vergroot juist onze verantwoordelijkheid tegenover degenen die niet geloven en verloren gaan. Want Paulus zegt:

I Kor.14:8 Want ook indien de bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot den krijg bereiden?

Het betekent als er een zwak en onzeker signaal wordt afgegeven, wie zal er dan naar luisteren? Als wij gelovigen achteloos toestaan dat de verlorenen naar Christusloze graven gaan, zijn wij dan niet moreel verantwoordelijk voor hun ondergang? Zullen we niet verantwoordelijk worden gehouden voor de Rechterstoel van Christus? (Zie 2 Korintiërs 5:10,11). Dit is de reden waarom we zien dat Paulus de oudsten van Éfeze eraan herinnert dat hij niet was opgehouden mensen dag en nacht met tranen te waarschuwen.

Handelingen 20:31 Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen.

Toen de apostel terugblikte op zijn bediening onder de Efeziërs, kon hij zeggen:

Handelingen 20:26 Daarom betuig ik ulieden op deze huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen.

En dit was zo geweest met zijn bediening in het algemeen. Sterker nog, het was nu zijn verlangen dat hij, wat het ook mocht kosten:

Handeling 20:24 Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.

Dat Ezechiël en de apostel Paulus, die grote strijder voor de genade van onze Heer Jezus Christus, ons herinneren aan onze grote verantwoordelijkheid jegens de verlorenen! Want er is geen reden groot genoeg in deze bedeling (uitdeling) van Gods genade om geen gehoor te geven hieraan en het Woord der waarheid niet bekend te maken.

Persoonlijk heb ik ook getwijfeld of ik wel geschikt ben om de uitnemende rijkdom Zijner genade te vertellen aan de mensen. Want er zijn misschien onder de degenen die mij kennen  of gekend hebben die vinden dat ik tekortschiet, op welke manier dan ook. Maar zoals Paulus ons allen leert in zijn brieven, zijn wij perfect in Christus. Dan geldt het volgende vers:

2 Kor. 12:9 En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.

De Kracht van Christus is die van de opstanding (zie Rom. 1:16) en die opstanding kan niet plaats vinden als niet eerst alle zonden afbetaald zijn door Zijn kruisiging. Door deze kracht van God kunnen zondaars zoals ik rechtvaardig en zalig gemaakt worden.

Als ik, na mijn redding door de gekruisigde Christus op met mijn eigen kracht rechtvaardig leven wil, dan zeg ik eigenlijk dat de genade van God onvoldoende is en doe ik Zijn dood en opstanding teniet. Dat is natuurlijk onbestaanbaar voor iemand die het offer van Christus heeft aangenomen, die daardoor een kind van God is geworden en door Hem niet meer verdoemd zal worden. Zal er dan iemand zijn die beweren kan dat het anders is?

Rom 8:31 Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?

Precies, wie kan dan rechtens zeggen dat wij tekort schieten? Zo hebben u en ik geen excuus meer om het Evangelie van Gods genade niet uit te delen aan de mensen. Nu wil het woord bij de daad voegen. Ik heb een podcast gemaakt die uitlegt wat het Evangelie van de genade God betekent. Klik hier

Er is maar één waarheid en één Evangelie.

In Galaten hoofdstuk 1, 2 en 3 wordt het Evangelie van Gods genade geleerd door de apostel Paulus. In hoofdstuk 1 ligt de nadruk op het feit dat Paulus de leer van de bedeling van genade niet heeft ontvangen van een mens, maar van niemand minder dan de HEERE Jezus Christus die hem dat vanuit de hemel heeft gegeven. Het is belangrijk je te realiseren dat toen Paulus het Evangelie van Gods genade verkondigde aan de Joden én heidenen, die leer volslagen onbekend was. Het was een nieuwe openbaring.

Gal. 2:1 Daarna ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan met Barnabas, ook Titus medegenomen hebbende.

Gal. 2:2 En ik ging op door een openbaring, en stelde hun het Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder aan degenen, die in achting waren, opdat ik niet enigszins tevergeefs zou lopen of gelopen hebben.

Je leest hier dus dat Paulus naar 14 jaar naar Jeruzalem is gegaan om het Evangelie dat hij onder de heidenen verkondigde voor te stellen aan o.a. Petrus, Jakobus en Johannes. Dan stelt zich de vraag welk Evangelie hij dan predikte onder heidenen? 

Handelingen 20:24 Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.

Dit Evangelie van Gods genade kun je leren in de brieven van de apostel Paulus aan de Romeinen, aan de Korinthiërs en aan de Galaten. Het hele werk van Paulus omvat de brief aan de Romeinen tot en met de brief aan Filemon. In de tijd dat Paulus naar Jeruzalem gaat is er geen sprake meer van de 12 apostelen, maar alleen van Petrus, Jakobus, en Johannes. Jakobus was geen apostel, maar de menselijke halfbroer van de HEERE. Zij schreven Hebreeën t/m Openbaringen en de inhoud daarvan is gericht aan besnedenen (het huis van Israël). Het is hier dus een heel andere periode, waarbij gesproken wordt over de apostelen van Jeruzalem. Er is een groot verschil tussen de apostelen en profeten van Jeruzalem en de apostelen en profeten van de bedeling van genade, zoals Paulus die noemt in Eféze 3:5

Gal. 2:3 Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden.

De besnijding is een grote zaak in het Oude Testament, maar als we bij Paulus komen, dan wordt zichtbaar dat er een verandering heeft plaats gevonden in hoe God omgaat met de mensen. In onderstaand verzen wordt kort, bondig en duidelijk door Paulus uitgelegd waarin het anders is.

Kol. 2:8 Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus;

Kol. 2:9 Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;

Kol. 2:10 En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;

Kol. 2:11 In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus;

Kol. 2:12 Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft.

Kol. 2:13 En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende;

Kol. 2:14 Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende;

Kol. 2:15 En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd.

Dit is de uitleg van de werkelijke besnijdenis, namelijk die van het hart, waardoor je zalig wordt. En dat niet uit eigen kracht, maar het is een gave van God door de kruisiging en opstanding van Christus. We weten uit Handelingen 15:1 dat er sommige van Judea kwamen om de broederen te leren dat ze niet zalig kunnen worden als ze niet volgens de wet van Mozes besneden worden. Maar zoals je uit het voorgaande kunt lezen staat dat haaks op wat Paulus leert.

Gal. 2:4 En dat om der ingekropen valse broederen wil, die van bezijden ingekomen waren, om te verspieden onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen.

De vraag is of die valse broederen ook werkelijk broederen waren. Ik geloof van wel, want wie gelooft dat Christus is gestorven voor zijn zonden en opgestaan voor zijn rechtvaardigheid, die zal zalig worden en is daarmee een broeder. Die Judeeërs waren broederen die eerst de prediking van Petrus hebben gehoord en later die van Paulus. Ze geloofde het, maar hadden moeite ermee.

Het is vergelijkbaar met een gereformeerde predikant die één doop predikt, maar leert dat die doop de kinderdoop is. De punt is dat alleen iemand die gelooft dat Christus God is en Hij gestorven is voor zijn zonden en opgestaan op zijn rechtvaardigheid, die alleen zal zalig worden. Niet het feit dat iemand als baby met water is gedoopt. Wie gereformeerde gelovigen vraagt of ze gered zijn (zalig geworden) en of ze een kind van God zijn, zal vaak horen dat ze het niet zeker weten. De bijbel leert dat ze kinderen van God zijn en ik geloof de Bijbel. Ze zijn daarmee broederen, maar ze hebben moeite met de leer van de bedeling van genade. Ze snijden het Woord der waarheid niet recht, maar mengen aspecten van niet-Paulus leer met die van Paulus.

In Handelingen 21:20 lees je van Paulus die Jakobus spreekt, die helemaal trots is op het feit dat er velen Joden zijn die geloven én dat zij ijverig zijn in het houden de wet van Mozes. En zij kwamen hen bespioneren om hen dienstbaar te maken aan de wet van Mozes. Als je gelooft dat je redding/rechtvaardigheid afhangt van werken (door de wet te houden), dan ben je niet vrij. Maar die gelooft is rechtvaardig zonder werken van de wet te doen.

Vrij zijn wil niet zeggen dat je een vrijbrief hebt om te leven zoals de ongelovigen. Namelijk, dat je kan doen wat je maar wil, omdat je toch gered bent. Zo van, het maakt niet meer uit. Nee, maar vrij zijn wil zeggen dat je vrij bent van de wet van Mozes. Vrij van waterdoop, besnijding, sabbat, wat wel en niet gegeten mag worden enz.

Gal. 2:5 Denwelken wij ook niet een uur hebben geweken met onderwerping, opdat de waarheid van het Evangelie bij u zou verblijven.

Er is tegenwoordig veel valse leer. Predikanten die voor hun inkomen afhankelijk zijn van hun gemeente, die zullen het moeilijk vinden om de waarheid ongefilterd te verkondigen. Want het zou kunnen betekenen dat mensen bij hem weglopen en dat kost hem geld. Paulus had een enorme verantwoordelijkheid, want hij moest ervoor zorgen dat we zo’n 2.000 jaar later nog steeds de zuivere waarheid kunnen leren. Ik had het geluk Dov Avnon tegen te komen, die mij de waarheid heeft geleerd. Maar er zijn veel mensen die de waarheid nooit horen, omdat hun predikant die misschien wel kent, maar hen die niet leert uit angst om mensen te verliezen.

Gal. 2:6 En van degenen, die geacht waren, wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet; God neemt den persoon des mensen niet aan; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht.

In Jeruzalem keken de gelovigen met groot ontzag op tegen Petrus, Jakobus en Johannes, want zij waren met Christus geweest toen die nog op aarde was. Maar Paulus heeft zijn Evangelie van Christus ontvangen en hij keek daarom niet op tegen hen. En ook vandaag de dag zou je op kunnen kijken tegen je predikant, priester of leraar. Erudiete, eloquente mannen die bedreven zijn in de apologetica. Maar daar hoef je niet tegenop te kijken, want wij hebben het Woord en daarmee het Evangelie van Gods genade dat we eenvoudig kunnen uitleggen en delen met andere in liefde.

Gal. 2:7 Maar daarentegen, als zij zagen, dat aan mij het Evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis;

Dit vers maakt alles eenvoudig en overzichtelijk. Er staat hier heel duidelijk dat er twee Evangelies zijn. Ten eerste die van voorhuid (het Evangelie van genade) dat Paulus aan de heidenen verkondigde. Daarbij maakt het niet uit of je een Jood bent of niet-Jood, zalig kan je alleen worden door geloof in de kruisigde Christus. Dus door besnijding van het hart, want alle mensen zijn onbesneden van hart. 

Wie Hebreeën t/m openbaring leest kan dankzij dit vers begrijpen dat daarin het Evangelie van de besnijdenis is beschreven. Als de bedeling van genade beëindigd wordt, zal Christus de gemeente ontmoeten in wolken. Daarna zal God zijn plan met het volk Israël weer in werking zetten en dat is de periode waarin Hebreeën t/m openbaring actueel zijn.

De discussie of de Hebreeën brief al-dan-niet geschreven is door Paulus is niet relevant, omdat nu duidelijk is dat deze twee Evangelies er zijn en wanneer welke van toepassing is.

Gal. 2:8 (Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap der besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen);

Dit vers is met de kennis die we nu opgedaan hebben dan ook te begrijpen. Want toen Christus op aarde was leerde Hij de 12 apostelen over het Evangelie van de besnijdenis. Maar na de steniging van Stefanus, werd Paulus bekeerd door Christus vanuit de hemel en gaf hem de opbaring van het Evangelie van de genade Gods.

Zondig niet meer

Genade en geloof

Genade en geloof zijn de karakteristieke kenmerken van de huidige bedeling. Niet alleen is de verlossing nu verklaard door genade, door geloof, maar de Geest werkt ook in de gelovige door genade, door geloof. Hij neemt geen bezit van ons en laat ons niet doen wat goed is, maar woont in elke gelovige (I Kor. 6:19) met het doel om ons de nodige leiding te geven en kracht om verleidingen te weerstaan. Wij kunnen van deze voorziening gebruik maken door geloof.

De Geest, die ons eerst leven gaf, zal ons ook kracht geven om verzoekingen te weerstaan en de zonde te overwinnen. In ons onvermogen om zelfs maar te bidden zoals het hoort, “helpt de Geest onze zwakheden” en “doet voorbede voor ons” (Rom. 8:26). In onze zwakheid worden wij “met kracht gesterkt door zijn Geest in de innerlijke mens” (Ef. 3,16) en God zal “onze sterfelijke lichamen levend te maken door zijn Geest die in ons woont” (Rom. 8,11).

Rom. 8:12 Zo dan broeders, wij zijn schuldenaars niet aan het vlees, om naar het vlees te leven.

De bovenstaande passage betekent dat wij, ook al worden wij zwaar verzocht, schuldenaar zijn aan de Geest die in ons woont en overwinningskracht verschaft.

De vraag in tijden van verzoeking is over het algemeen of wij werkelijk willen overwinnen, want wij kunnen in elke verzoeking overwinnen via de genade, door geloof. In de huidige bedeling van genade is het zeker mogelijk dat de gelovige kan zondigen, maar het is een gezegende waarheid dat hij in elke situatie niet te hoeft zondigen, omdat de Geest is er altijd om te helpen.

Dit alles staat in scherp contrast met wat we in het dagelijks leven zien. Daarin geldt dat je eerst een prestatie moet leveren en dan beloond zal worden. De werkgever betaald het loon pas nadat de werknemer de afgesproken prestatie heeft geleverd. En zo was het ook ten tijde dat Jezus Christus op aarde was:

Matt. 6:12 En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

Matt. 6:14 Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.

Matt 6:15 Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.

Uit dit vers kun je lezen dat wij eerst onze schuldenaren moeten vergeven, voordat God onze schulden kan vergeven. Deze vier Evangeliën zijn dus anders dan het Evangelie van genade dat de apostel Paulus van Christus vanuit de hemel heeft ontvangen en beschreven staat vanaf Handelingen H9 t/m de brief aan Filemon. Want de volle betekenis van Zijn kruising, opstanding en hemelvaart wordt pas via Paulus aan de mensen onthult. Het verschil wordt ook duidelijk uit onderstaande verzen:

Handelingen 2:34 En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.

Het is bij Petrus dus eerst bekeren en dopen voordat er sprake kan zijn van vergeving, rechtvaardiging en het ontvangen van de Heilig Geest. Maar bij Paulus is het anders:

Handellingen 13:38 Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt;

Handelingen 13:39 En dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Dezen een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt.

En Paulus schrijft:

Rom. 3:21 Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten:

Rom. 3.22 Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid.

Rom. 3:23 Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;

Rom. 3:24 En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is;

Rom 8:1 Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die [daardoor] niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.

Rom. 10:4 Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.

Rom. 10:9 Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.

Rom. 11:6 En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.

Ef. 1:13 In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;

Ef. 1:14 Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid.

Ef. 2:8 Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;

Ef. 2:9 Niet uit de werken, opdat niemand roeme.

Ef. 2:10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.

Dus, het is niet dat iemand eerst door goede werken te doen zalig wordt, maar eerst zalig wordt door geloof alleen en vervolgens goede werken kan doen. De goede werken zijn dus niet dat je nooit meer één steek zou laten vallen, maar het gaat om je gezindheid, je houding, denkwijze, mentaliteit naar God toe. En als wij met die levenshouding dan in oprechtheid getuigen dat Christus onze HEERE is, die voor onze zonden aan het kruis gestorven is en daarna opgestaan uit de dood om ons rechtvaardig te maken naar de standaard van God én met heel ons hart geloven dat dit uitsluitend mogelijk is doordat Christus God is (Hij is onze HEERE), dan zullen wij Hem gelijk worden en samen met Hem eeuwig leven in de hoogste hemelen. Voor alle duidelijkheid, de goede werken zijn (maar niet beperkt tot):

Ef. 4:1 Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in den Heere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt;

Ef. 4:2 Met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde;

Ef. 4:3 U benaarstigende te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes.

Ef. 4:22 Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding;

Ef. 4:23 En dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds,

Ef. 4:24 En den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.

Ef. 4: 32 Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft.

Ef. 5:1 Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen;

Ef. 5:2 En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk.

Ef. 5:3 Maar hoererij en alle onreinigheid, of gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, gelijkerwijs het den heiligen betaamt,

Ef. 5:4 Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen; maar veelmeer dankzegging.

Ef. 5:22 Gij vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan den Heere;

Ef. 5:25 Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven;

Ef. 6:1 Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in den Heere; want dat is recht.

Ef. 6:4 En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.

Dit gegeven, dat wij als gelovigen in staat zijn tot de zojuist genoemde goede werken (die dus heel wat anders zijn dan men er doorgaans onder verstaat), dat is wat God voorbereid heeft. En als wij merken dat we in ons dagelijks leven dingen doen die ingaan tegen deze werken van God, zo wandelen wij niet meer daarin en zijn wij in het duister. En het feit dat we ons ervan bewust worden dat wij niet meer wandelen in de werken die God voor ons heeft voorbereid, zo weten wij daardoor ook dat we Gods Geest hebben. Want iemand die Gods Geest niet heeft, kan zich daarvan ook niet bewust worden.

Rom. 8:7 Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.

Je ziet het, iemand die niet gelooft in de gekruisigde Christus, die kan ook niet de dingen van God bedenken, laat staan die te doen. En dit kan het geval zijn onder religieuze mensen, die dus uiterlijk wel alles lijken te doen zoals het hoort, maar in werkelijkheid de wet van God niet volgen en geen vrucht dragen. Want het heeft te maken met wat iemand werkelijk gelooft, wat zijn werkelijke gezindheid is naar God toe. Dit gegeven komt ook tot uitdrukking in het volgende vers dat weliswaar over de Jood gaat, maar het principe is hetzelfde:

Rom. 2:28 Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is;

Rom 2:29 Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.

Maar iemand die Rom. 10:9 ernstig neemt, die kan de dingen van God bedenken en kan niet meer zondigen (al gebeurd toch nog wel eens). Vandaar de titel, zondig niet meer!