Er is maar één waarheid en één Evangelie.

In Galaten hoofdstuk 1, 2 en 3 wordt het Evangelie van Gods genade geleerd door de apostel Paulus. In hoofdstuk 1 ligt de nadruk op het feit dat Paulus de leer van de bedeling van genade niet heeft ontvangen van een mens, maar van niemand minder dan de HEERE Jezus Christus die hem dat vanuit de hemel heeft gegeven. Het is belangrijk je te realiseren dat toen Paulus het Evangelie van Gods genade verkondigde aan de Joden én heidenen, die leer volslagen onbekend was. Het was een nieuwe openbaring.

Gal. 2:1 Daarna ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan met Barnabas, ook Titus medegenomen hebbende.

Gal. 2:2 En ik ging op door een openbaring, en stelde hun het Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder aan degenen, die in achting waren, opdat ik niet enigszins tevergeefs zou lopen of gelopen hebben.

Je leest hier dus dat Paulus naar 14 jaar naar Jeruzalem is gegaan om het Evangelie dat hij onder de heidenen verkondigde voor te stellen aan o.a. Petrus, Jakobus en Johannes. Dan stelt zich de vraag welk Evangelie hij dan predikte onder heidenen? 

Handelingen 20:24 Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.

Dit Evangelie van Gods genade kun je leren in de brieven van de apostel Paulus aan de Romeinen, aan de Korinthiërs en aan de Galaten. Het hele werk van Paulus omvat de brief aan de Romeinen tot en met de brief aan Filemon. In de tijd dat Paulus naar Jeruzalem gaat is er geen sprake meer van de 12 apostelen, maar alleen van Petrus, Jakobus, en Johannes. Jakobus was geen apostel, maar de menselijke halfbroer van de HEERE. Zij schreven Hebreeën t/m Openbaringen en de inhoud daarvan is gericht aan besnedenen (het huis van Israël). Het is hier dus een heel andere periode, waarbij gesproken wordt over de apostelen van Jeruzalem. Er is een groot verschil tussen de apostelen en profeten van Jeruzalem en de apostelen en profeten van de bedeling van genade, zoals Paulus die noemt in Eféze 3:5

Gal. 2:3 Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden.

De besnijding is een grote zaak in het Oude Testament, maar als we bij Paulus komen, dan wordt zichtbaar dat er een verandering heeft plaats gevonden in hoe God omgaat met de mensen. In onderstaand verzen wordt kort, bondig en duidelijk door Paulus uitgelegd waarin het anders is.

Kol. 2:8 Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus;

Kol. 2:9 Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;

Kol. 2:10 En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;

Kol. 2:11 In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus;

Kol. 2:12 Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft.

Kol. 2:13 En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende;

Kol. 2:14 Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende;

Kol. 2:15 En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd.

Dit is de uitleg van de werkelijke besnijdenis, namelijk die van het hart, waardoor je zalig wordt. En dat niet uit eigen kracht, maar het is een gave van God door de kruisiging en opstanding van Christus. We weten uit Handelingen 15:1 dat er sommige van Judea kwamen om de broederen te leren dat ze niet zalig kunnen worden als ze niet volgens de wet van Mozes besneden worden. Maar zoals je uit het voorgaande kunt lezen staat dat haaks op wat Paulus leert.

Gal. 2:4 En dat om der ingekropen valse broederen wil, die van bezijden ingekomen waren, om te verspieden onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen.

De vraag is of die valse broederen ook werkelijk broederen waren. Ik geloof van wel, want wie gelooft dat Christus is gestorven voor zijn zonden en opgestaan voor zijn rechtvaardigheid, die zal zalig worden en is daarmee een broeder. Die Judeeërs waren broederen die eerst de prediking van Petrus hebben gehoord en later die van Paulus. Ze geloofde het, maar hadden moeite ermee.

Het is vergelijkbaar met een gereformeerde predikant die één doop predikt, maar leert dat die doop de kinderdoop is. De punt is dat alleen iemand die gelooft dat Christus God is en Hij gestorven is voor zijn zonden en opgestaan op zijn rechtvaardigheid, die alleen zal zalig worden. Niet het feit dat iemand als baby met water is gedoopt. Wie gereformeerde gelovigen vraagt of ze gered zijn (zalig geworden) en of ze een kind van God zijn, zal vaak horen dat ze het niet zeker weten. De bijbel leert dat ze kinderen van God zijn en ik geloof de Bijbel. Ze zijn daarmee broederen, maar ze hebben moeite met de leer van de bedeling van genade. Ze snijden het Woord der waarheid niet recht, maar mengen aspecten van niet-Paulus leer met die van Paulus.

In Handelingen 21:20 lees je van Paulus die Jakobus spreekt, die helemaal trots is op het feit dat er velen Joden zijn die geloven én dat zij ijverig zijn in het houden de wet van Mozes. En zij kwamen hen bespioneren om hen dienstbaar te maken aan de wet van Mozes. Als je gelooft dat je redding/rechtvaardigheid afhangt van werken (door de wet te houden), dan ben je niet vrij. Maar die gelooft is rechtvaardig zonder werken van de wet te doen.

Vrij zijn wil niet zeggen dat je een vrijbrief hebt om te leven zoals de ongelovigen. Namelijk, dat je kan doen wat je maar wil, omdat je toch gered bent. Zo van, het maakt niet meer uit. Nee, maar vrij zijn wil zeggen dat je vrij bent van de wet van Mozes. Vrij van waterdoop, besnijding, sabbat, wat wel en niet gegeten mag worden enz.

Gal. 2:5 Denwelken wij ook niet een uur hebben geweken met onderwerping, opdat de waarheid van het Evangelie bij u zou verblijven.

Er is tegenwoordig veel valse leer. Predikanten die voor hun inkomen afhankelijk zijn van hun gemeente, die zullen het moeilijk vinden om de waarheid ongefilterd te verkondigen. Want het zou kunnen betekenen dat mensen bij hem weglopen en dat kost hem geld. Paulus had een enorme verantwoordelijkheid, want hij moest ervoor zorgen dat we zo’n 2.000 jaar later nog steeds de zuivere waarheid kunnen leren. Ik had het geluk Dov Avnon tegen te komen, die mij de waarheid heeft geleerd. Maar er zijn veel mensen die de waarheid nooit horen, omdat hun predikant die misschien wel kent, maar hen die niet leert uit angst om mensen te verliezen.

Gal. 2:6 En van degenen, die geacht waren, wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet; God neemt den persoon des mensen niet aan; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht.

In Jeruzalem keken de gelovigen met groot ontzag op tegen Petrus, Jakobus en Johannes, want zij waren met Christus geweest toen die nog op aarde was. Maar Paulus heeft zijn Evangelie van Christus ontvangen en hij keek daarom niet op tegen hen. En ook vandaag de dag zou je op kunnen kijken tegen je predikant, priester of leraar. Erudiete, eloquente mannen die bedreven zijn in de apologetica. Maar daar hoef je niet tegenop te kijken, want wij hebben het Woord en daarmee het Evangelie van Gods genade dat we eenvoudig kunnen uitleggen en delen met andere in liefde.

Gal. 2:7 Maar daarentegen, als zij zagen, dat aan mij het Evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis;

Dit vers maakt alles eenvoudig en overzichtelijk. Er staat hier heel duidelijk dat er twee Evangelies zijn. Ten eerste die van voorhuid (het Evangelie van genade) dat Paulus aan de heidenen verkondigde. Daarbij maakt het niet uit of je een Jood bent of niet-Jood, zalig kan je alleen worden door geloof in de kruisigde Christus. Dus door besnijding van het hart, want alle mensen zijn onbesneden van hart. 

Wie Hebreeën t/m openbaring leest kan dankzij dit vers begrijpen dat daarin het Evangelie van de besnijdenis is beschreven. Als de bedeling van genade beëindigd wordt, zal Christus de gemeente ontmoeten in wolken. Daarna zal God zijn plan met het volk Israël weer in werking zetten en dat is de periode waarin Hebreeën t/m openbaring actueel zijn.

De discussie of de Hebreeën brief al-dan-niet geschreven is door Paulus is niet relevant, omdat nu duidelijk is dat deze twee Evangelies er zijn en wanneer welke van toepassing is.

Gal. 2:8 (Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap der besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen);

Dit vers is met de kennis die we nu opgedaan hebben dan ook te begrijpen. Want toen Christus op aarde was leerde Hij de 12 apostelen over het Evangelie van de besnijdenis. Maar na de steniging van Stefanus, werd Paulus bekeerd door Christus vanuit de hemel en gaf hem de opbaring van het Evangelie van de genade Gods.

Plaats een reactie